Notes
Matches 5,301 to 5,350 of 5,674
| # | Notes | Linked to |
|---|---|---|
| 5301 | Was she from her father's 1st marriage? | Verlee, Pauline Cornelis (I9262)
|
| 5302 | Was she from her father's 1st marriage? | Verlee, Pauline Cornelis (I9262)
|
| 5303 | Was she from the v. O. in Weitmar or from Bochum? Anthony von Omphal en zijn vrouw Maria van Aldenburgh Anthony Frederik von Omphal (1707-1759), majoor in het regiment Oranje Gelderland, zoon van Alexander Dietrich von Omphal en Gijsberta Maria van Eck. Huwde 1741, Maria van Aldenburgh (1722-1783), dochter van Jan Floris van Aldenburgh en Johanna van IJsseldijk. Huwelijksinschrijving van Anthony von Omphal en Maria van Aldenburgh te Nijmegen, 1741. Brief van de weduwe Van Ossenbruch, geboren Von Omphal, te Bochum aan haar nicht Maria van Aldenburgh, weduwe van Anthony von Omphal, betreffende familieaangelegenheden, 1780. The above might be an error in transcribing. Could it be that it was an Omphal née van Ossenbruch instead or is there another male Ossenbruch married there? Look here how it is now: https://vanosnabrugge.org/genealogy/descend.php?personID=I6204&tree=tree1&display=standard&generations=5 There is another possibility: https://vanosnabrugge.org/genealogy/family.php?personID=I6172&tree=tree1 | van Ossenbruch, N.N. (I6237)
|
| 5304 | Was van beroep wever, later koopman daarna aanspreker. Kinderen: Cornelis Dorland 1823-1823 Magdalena Geertruida Dorland 1826-1826 Tijmetje Dorland 1828-1831 Tijmetje Dorland 1832-? Gerrit Dorland 1834-1842 Marietje Dorland 1837-1838 Magdalena Geertruid Dorland 1838-? | Dorland, Rijk (I10156)
|
| 5305 | Was van beroep wever, later koopman daarna aanspreker. Kinderen: Cornelis Dorland 1823-1823 Magdalena Geertruida Dorland 1826-1826 Tijmetje Dorland 1828-1831 Tijmetje Dorland 1832-? Gerrit Dorland 1834-1842 Marietje Dorland 1837-1838 Magdalena Geertruid Dorland 1838-? | Dorland, Rijk (I10156)
|
| 5306 | Wasserschloss Bladenhorst. Die Burg wird urkundlich erstmals 1266 erwähnt. Einst lebten dort die Ritter von Blarnhurst, zu Beginn des 14. Jahrhunderts dann die Familie von Düngelen. 1338 stellte Rötger von Düngelen dem Grafen von Kleve seinen Besitz als Offenburg zur Benutzung im Kriegsfall zur Verfügung. Durch Heirat gelangte die Burg 1496 an Philipp von Viermundt († 1528), 1624 bis 1881 an die Freiherren von Romberg, die sie ererbt hatten. Danach waren die Freiherren Weichs zur Wenne und die Klöckner-Werke für die Geschicke des Schlosses verantwortlich. 1653 April 16 Beschreibung : Da Herman Rabi von Haxthausen zu Diedenhausen als Erbe seiner Kinderlos verstorbenen Halbschwester Elisabeth Agnes von Haxthausen, Tochter der Johanna Elisabeth von Derßen, Ansprüche erhebt, am Hause Bladenhorst und Coluenburg und den von Anne Dietherich gebor. von Viermundt, Witwe von Romberg zu Bruninghausen, Bladenhorst und Coluenburg, und von Conradt Philipp von Romberg vorgebrachte Einwurf, dass die Ansprüche der Haxthausen durch den von Johanna von Oer eingerichteten Fideikommiss hinfällig geworden sei, nicht anerkennt, so wird unter obigen Datum entschieden, dass die Witwe von Romberg und ihr Sohn dem Haxthausen die verlangten Obligationen übergeben dagegen Haxth. Ansprüche auf die Coluenb. und Bladenhorst. Güter zurückzuweisen sind; von einer Obligation, sprechend an Koenen zu Bochumn auf 500 Goldgulden, erhält Haxth. 250; falls der von Ossenbroch mehr als seine und der von der Recken Quoten sich hat zahlen lassen, erhält Haxthausen von der Obligation von 200 Goldgulden auf die Scheuern zur Horst 1/8 und von der Hönischen Obligation ebenfalls 18. Bestellsignatur : Gesamtarchiv von Romberg - Urkunden, Nr. 2770 1653 April 20 Beschreibung : Conrad Philip v. dem Romberg verspricht gemäß Vergleich vom 16. April dem Herm. Rab v. Haxthausen Überlieferung einer Verschreibung von 250 Goldgulden auf Hoene zu Bockumb sprechend, nachdem der v. Ossenbroch für sich und wegen Agnes Hellenberg v. Viermundt, Witwe v. der Recken, 250 Reichstaler als ihren Anteil von der Gesamtverschreibung über 500 Goldgulden Kapital erhoben habe.Nachschriftlich bekennt H. R. v. Haxthausen, d.d. 1654 Mai 9 Brüninghausen, den Empfang der Verschreibung. Bestellsignatur : Gesamtarchiv von Romberg - Urkunden, Nr. 2773 | von Romberg, Otto Caspar (I5989)
|
| 5307 | Wat Hilleken Gaymans' vader, Evert betreft, deze wellicht in 1512 geboren, was de zoon van Willem Gaeymans, denkelijk geboren in 1487, vanwege de stad Arnhem in 1543 afge- vaardigd om tegenwoordig te zijn bij het sluiten in de keizerlijke leger- tent vöor Venlo op 12 September van het traktaat tusschen keizer Karel V als hertog van Gelre enz. en tusschen de staten v. Geld, (zie Gr. Geld Plakkaaib., 1, kol. 27; Sligtenhorst, Geld. Geschiedbl. 4656, waar hij abusievelijk "Baymans" heet). Evert Willemszoon G. had Gaert G., in 1494 rentmeester van Arnhem, tot grootvader. [Over de geneeskundigen Gerard en Gerard Gijsbert ten Haeff te Rotterdam op het einde der vorige eeuw, zie de Nieuwe Uitgaaf v.'li.Biogr. H'dbk. d. Nederl. o. hoofdred. v. Dr. Schotei]. | Gaymans, Evert (I4022)
|
| 5308 | Watermolenaar | Spruijt, Cornelis (I10009)
|
| 5309 | Watermolenaar | Spruijt, Cornelis (I10009)
|
| 5310 | We also have a "Aalbert" born on the same date. Is that his twin, or does he have a double name? | Oostenbrugge, Lammert (I10450)
|
| 5311 | We also have a "Aalbert" born on the same date. Is that his twin, or does he have a double name? | Oostenbrugge, Lammert (I10450)
|
| 5312 | We also have the following quote from Dr. Robert Scholte in the history book of Wissel and Grieth. In 1429 sind Lysken v. Wittenhorst, Wilh. v. Ulft und dessen Sohn Gert mit "Kakentier" in Esserden bei Reese behandigt. | van Ulft, Willem (I6558)
|
| 5313 | We are not sure if he is the father of Hendrick. He was a witness at the baptism of Hendrick's first daughter | van Waerden, Jan Adriaensen (I7637)
|
| 5314 | We are not sure if he is the father of Hendrick. He was a witness at the baptism of Hendrick's first daughter | van Waerden, Jan Adriaensen (I7637)
|
| 5315 | We assume -from his son's name- that his name is Job. However: The Troost genealogy by Van Weel and J. Hoek (from 1963 and 1968,Gens Nostra 6, 7 and.8) names Jacob Wouterse (duinmeijer) and his father Wouter, Jacobse, leaseholder (pachter) of land in Goedereede 1527-1572, and his father Jacob Wouterse, leaseholder from 1520, as forefathers of Jacobs Jobs. De naam duinmeier wordt in de rekeningen van de Grafelijkheid pas in 1456 gebruikt, daarvoor is er sprake van duinwaarders. De betekenis in het Middelnederlands is duinbewaker of duinopzichter. Een duinmeier of duinpachter oefende een gemengd bedrijf uit om in het levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin te kunnen voorzien. Buiten de inkomsten die het gezin had door het instandhouden van het wild, met nadruk op de konijnenpopulatie, werd er ook vaak een boerenbedrijf(je) gerund. Het beroep van duinmeier ging vaak over van vader op zoon [P.C. Zonneveld, 'Duinmeiers in de Brederoder duinen te Velsen', in: Velisena 14 (2005), p 3-32]. | Job? (I5267)
|
| 5316 | We assume that he is a son of Adriaen | Curff, Stephen (I8652)
|
| 5317 | We assume that he is a son of Adriaen | Curff, Stephen (I8652)
|
| 5318 | We assume that he is the brother of Evert and Reijnier, because he also congregates at the Dutch Reformed Marekerk. Most of the other van O-s in Leiden at this time are Lutherens. Plaats: Leiden Datum ondertrouw: 30-07-1678 Bruidegom: Jan Jansz van Osenbrugge Plaats geboorte: Leyden Woonplaats bruidegom: Hogewoertse Poort. Buyten de - Beroep: pletsdroger Bruid: Jannetge Jans van der Snell Plaats geboorte: Leyden Woonplaats bruid: Hogewoert, Nieuwe Bron: Archiefnr 1004 Archiefnaam: Nederlands Hervormd Ondertrouw (1575-1795) Inventarisnummer 22 Folio X - 042 Opmerkingen: Getuigen bruidegom: Roelant van Koeten bekende Hogewoert, Nieuwe - Getuigen bruid: Machtelt Huygen van Egmont moeder Hogewoert, Nieuwe - Consent verleent om tot Voorhout te mogen trouwen Datum ondertrouw: 17-08-1680 Bruidegom: Aert Jansz Snel Plaats geboorte: Leyden Woonplaats bruidegom: Hoogewoert, Nieuwe Bruid: Susanna Dirckx van Leeuwen Plaats geboorte: Swammerdam Woonplaats bruid: Swammerdam BronArchiefnr 1004 Archiefnaam: Nederlands Hervormd Ondertrouw (1575-1795) Inventarisnummer 22 Folio X - 178 Opmerkingen: Getuigen bruidegom: Machtelt Huygen van Egmont moeder Hoogewoert, Nieuwe - Getuigen bruid: Jan Jansz van Osenbrugge bekende Langegraft - Huw ouders bruidegom: schepenhuw D-110v | van Osenbrugge, Johannes Jansz (I6900)
|
| 5319 | We assume that he is the son of Alphert and Beerte. Their cousins were the Kreynck family and Arndt did business with them. Arndt was an alderman (schepen) in Zutphen from 1475 - 1484, except in 1483 and 1486 when he was in the city council. He was also involved at the Commandery of St. Jan in Arnhem. ![]() In den jaere unss Heren dusent vierhondert LXXXIIII (1484) up donre- dagen post Laurentii heefft beleent Jacop van Hackford en dochter seliger Schemicker den hoff toe Wengell myt synen toebehoir ind mytten Uuterweerdt, gelegen in den kirspell van Wije in der buerscap van Wengell. Dair vair gehult heefft hent tot oeren mundighen dagen toe Johan Monnick. Ten Zutphenschen rechten, beheltlick mij ind een ytlijck syns rechten. Orkonde manne van leen Willem Lerinck ind Arndt Yseren. 1493, 7 juni Franss Kreynck en Mechtelt Scheellwortz verkopen aan het convent then Ysendoirn de tienden uit het goed Yebbekinck, kerspel Leesten, zijnde circa 1 schepel rogge. Gegeven in den jair onss heren dusent vierhundert ende drie ende tnegentich des Vridages na des heiligen Sacramentz daghe. Oorspronkelijk in inv.nr. 48. Met het geschonden zegel van Franss Kreynck in groene was, terwijl dat van Arndt Yseren verloren is gegaan. N.B. Mechteld Scheellwortz was waarschijnlijk Mechteld Schelewart. Zij was vermoedelijk een naaste verwante van Grete (Margaretha) Schelewart (zie hieronder), die gehuwd zou zijn geweest met een Alphert Yseren. 1423 april 28 Geryt die Meijer, schout binnen en buiten Zutphen, oorkondt, dat Grete Schelewerts aan heer Borrenhof 1/4 van de Warensvelder tiend als een tijnsgoed heeft opgedragen. Gegeven in den jaer ons heren dusent vierhondert drie ende twyntich des Wondesdages na Jubilate. Oorspr. (Inv.no. 735) Met fragment van het zegel van den oorkonder in groene was. | Yseren, Arndt (I6457)
|
| 5320 | We assume that he is the son of Alphert. | Yseren, Alphert (I6444)
|
| 5321 | We believe that he is the same person as Gheryt van Ossenbroeck. https://vanosnabrugge.org/genealogy/getperson.php?personID=I1122&tree=tree1 The Commandery (Lodge) of Saint John (Knights of Jerusalem) was an important part of the Arnhem's social and medical care. It was established by German knights and the Arnhem commandery was one of the most important ones in Holland. Please read some very interesting articles about this organization (all in Dutch):
In the extensive documentation on the Commandery there are several charters, mentioning the children of the late Gerartz van Osenbrugh. In 1538 - 1540 there were some legal problems relating to the purchase of a house called "The Parrot" (de Papegaey), which had been promised to the children of Gerart by a priest, named Andries Andriesz, who was a cousin to the children. Read the legal documents here and explanations, who these people are. | van Osenbrugh, Gerartz (I2461)
|
| 5322 | We believe that she could be the Maritge Dirks, married to Bernt Hendrickszn van Osenbrugge. https://vanosnabrugge.org/genealogy/getperson.php?personID=I4254&tree=tree1 | van der Eem, Maritge Dircks (I6789)
|
| 5323 | We do not know his first name. He named his son Jacobus after his father and his daughter Steventje after his mother. | van Osenbruggen, N.N. (I6699)
|
| 5324 | We do not know where he comes from. He (or his parents) must have been well-to-do, to marry into the Houckgeest family. | van Osenbrugge, Hendrick (I6295)
|
| 5325 | We do not know who he was or where he came from. After his death, his children (?) had a carved, silver collection plate made with his name engraved at the top. It was probably donated, at that time, to the Dutch Reformed Church in Hoorn. It was a prized possession of Queen Emma and Queen Juliana. View a slideshow and more information here: https://vanosnabrugge.org/wanted.htm | van Osenbrugh, Hermen Ottessoon (I1220)
|
| 5326 | We do not know who she is, but her father Gerhard van Ossenbroeck talks about this son-in-law in 1416. See below. 1416 Februar 14. Beschreibung : Gerit van Ossenbroeck teilt mit Einwilligung seiner Gattin Marie und mit Rat seiner Verwandten und Freunde, besonders des Richters Hermen van Ysem seines Neffen, seines Schwiegersohns Werner Esel und Giselberts Hacken seine und seiner Gattin Besitztümer unter seine Kinder: Der ältere Sohn Johan van Ossenbroeck erhält das Haus zu Ossenbroeck mit allem Zubehör und "alle erff erftyns guet ind liefgewyn" im Land von Cleve, ausgenommen das Gut "op ger Sittert", "item alle guet gelegen anden walde mit siner tobehoor geheiten angen Stuefvenne", die Leibzucht "angen Dailreloe", herrührend van den Gaids Haus van Hantten, ferner zwei "Cempe", gelegen bei Kierssel an dem Walde und in dem Walde; item die Leibzucht in der Semervoirt von dem Herrn von Cleve und von der Mark, dann die Güter um und in Calker, ... "so als dat gelegen is dat iarlix pleech to vortynsen to Ludinchoven op sunte Margariten dach". Die ausgeschiedenen Güter soll sein Sohn Gerit van Ossenbroeck besitzen. Ein dritter Sohn, Gaetscallic soll nach dem Tode der Eltern besitzen das Gut zu Nyenhove, gelegen im Lande von Lynne und im Kirchspiel van Geertboeckem, mit allem Zubehör, doch bleibt seinem Schwiegersohn Werner Esel und dessen Gattin Styne "ilk ans rechten ander tynden na vytwisinghe des hylichsbrieffs" vorbehalten. Doch soll Johann seinem Bruder Gaetscallic bei Lebzeiten der Eltern 10 rheinische Gulden jährlich zahlen...Siegelzeugen: Graf Adolf von Cleve und der Mark, Margarete von Berg, Cleve und der Mark, Ritter Herman van Ysem, Werner Esel und Giesbert Hacken. Bestellsignatur : Gesamtarchiv von Romberg - Urkunden, Nr. 211. | van Ossenbroeck, N.N. (I6461)
|
| 5327 | We have Aert Hendricks van Osenbruggen listed as a son of Hendrick Aerts, and married to Mayken Teunis. But closer examination of the Rijswijk records show that this is actually a Aert Fredericks (Bremaet), not a Aert Hendricks, married to Mayken Teunis. (As an interesting side note, the Teuw Huijberts van Wijk mentioned above is actually then married to this Mayken Toenisdr at a later time) Action?: Remove Aert Hendricks as Berndt's brother | van Osenbruggen, Aert Hendriksz (I94)
|
| 5328 | We have his last name "van Osenbrugge" added by default. Church records in Rijswijk do not go further back than 1638 and in that year Hend(e)rik Aertsen and Hilleken were registered as members (lidmaten) of the Rijswijk church. Gelders archief: 1104.1, p. 8v, numbers 10 and 11. They have a daughter and granddaughter named Hilleken. In the Gens Nostra 1983 information on the van Osnabrugge family it was mentioned that (his grandson) Hendrik Berntz' children took variations on the van Osenbrugge name. -------------- Is this the same Hendrik van Osenbruggen?. Did he have links to the Ossenbruchs in the Emmerich area? Utrechts Archief. 34-4 Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905 [Notariele akte] Attestatie - Balthasar Toxites is gerechtigd om van Jan van Gelder, waard in 't Bonte Peerdt te Utrecht, voldoening van een schuldbekentenis ten behoeve van Anthonis van Moers te vorderen; Henrick van Osenbrugh heeft verklaard dat Anthonis van Moers nog meer te vorderen had van Jan van Gelder die heeft toegezegd dat hij over een maand alles betaalt Datering: 16-11-1592 Aktenummer: 139 Personen: Attestant: Diederich van Duyven (N.B. Duiven is a small town 5 miles S.E. of Arnhem and 10 miles N.E. of Emmerich) Rol in akte: Attestant Beroep: Gerichtsscholtz onder Stolberchschen regiment Rekwirant: Anthonis van Moers Voornaam: Anthonis Achternaam: van Moers Rol in akte: Rekwirant Beroep: ruyter en gewesene corporael Rekwirant: Balthazar Toxites Voornaam: Balthazar Achternaam: Toxites Rol in akte: Rekwirant Bijzonderheden: attestant vernam in Emmerich van de vrouw van Anthonis van Moers dat zy Balthasar Toxites opdracht had gegeven om de vordering te innen; eerdere poging om het bedrag te laten innen door een schipper, genaamd Den Vromen Borger, is mislukt | van Osenbruggen, Hendrick Aertsen (I4257)
|
| 5329 | We used to have Evert Jobpense married to https://vanosnabrugge.org/genealogy/getperson.php?personID=I1306&tree=tree1, but changed it in October 2017, because of: Het rechterlijk archief van Buren geeft aan dat Geertruid Evertsdr (van Oijen) de vrouw van Evert Jobpensz (van Eck) was, waarna hun kinderen de naam van hun moeder gingen aannemen. Onduidelijk waarom, maar het zij zo. Afgezien dat Vernoij een buur-eigenaar van land van de latere Van Oijen's was, is de connectie met Vernoij niet bestaand. wahoud.blogspot.com/2011/12/kasteel-den-brakel-rijswijk.html | van Oijen, Geertruid Evertsdr (I1306)
|
| 5330 | wed. van de metselaar Antonie van Grol (overl. Harmelen 26.8.1857), eerder wed. van de op 23.5.1849 bij Rotterdam in de Maas verdronken schipper Pieter Jansen, dr. van de wolkammer Gijsbert van Barneveld en Ariaantje van der Weerd. | van Barneveld, Aaltje (I65)
|
| 5331 | Weduwe van Albertus van de Voort. | van Burken, Aartje (I3714)
|
| 5332 | weduwe van Evert Jansen | Hendriks, Hendrikje (I39)
|
| 5333 | Weduwe van Jan Johannes Tommel | Geitenbeek, Evertje (I2959)
|
| 5334 | Weduwe van Lieven de Groot. Source: Gereformeerd ondertrouwboek Hulst 1646-1655 | Hendriksx, Lijsbeth (I6170)
|
| 5335 | Weduwnaar van Anneken Gerritsen van Eck, wonend te Maurik | van Rhee, Dirk Fransen (I3435)
|
| 5336 | weduwnaar van Clasina Jacobsdr | van Wamel, Dirck (I677)
|
| 5337 | Weintje Jansen Bosch, wed. Jan Wulphertsen Lagerweij, ged. Scherpenzeel 04-08-1771, op ´t Nieuw Willaer, ov. Scherpenzeel 06-04-1826, dr. van Jan Bos en Teuntje Lagerweij | Bosch, Weintje Jansen (I3164)
|
| 5338 | Wennemar von Heiden. zn. van Menso II ridder von Heyden en Sophia von Gemen, knape, ambtman van Hetter, Diest en Rossau, houdt het huis Rosenau bezet 1386, heer van Engelrading in 1331, ovl. na 1398, tr. (1)met Sophia von Honnepel. Uit dit huwelijk 4 kinderen. 1362 Mai 2. Alyt von Ossenbroick, Frau .des Wennemar von Heyden gesteht dem Grafen Johann von Cleve das Rückkaufsrecht iürdiedrei Güter (uamlich das Hallengoens Gut, die Cleyhegge und das HelmichSmoelnersGut) zu Wischel unter niiheren Bedinpungen zu. Ritter Johann von Ossenbroick und der Knappe Wennemar von Heyden siegel n mit. Staatsarchiv Düsseldorf, Handschriften a I I I 4 fol. 33 und a I I I 5 fol. 51. 1366 Mai 2. Beschreibung : Knappe Wenemer van Heydene stellt seinem Schwiegervater, Ritter Johann van Ossenbroich, eine Quittung über die Zahlung von 1200 Schilden aus. Bestellsignatur : Gesamtarchiv von Romberg - Urkunden, Nr. 57. Brother of Alard van Heyden. ihres oheim: Ritter Ricoude van Heyswic. Aleid is a daughter of ridder Johan . She married ~1361 Wennemar von Heiden. Son of ridder Menso II von Heyden and Sophia von Gemen. Wennemar's daughter Sophia (with 2nd wife Sophia van Honnepel) marries Steven van Borculo-Dudincweerde). From: De Nederlandsche Leeuw, 1926: 1361 Dezember 12. Wennemar von Heyden, Knappe, verzichtet für seine Gattin, Tochter desBitters Johann von Ossenbruch, zu Gunsten seines Schwagers Gerhard fiir dea Fall, dass dieser nicht kinderlos stirbt, auf deren Erbteil vonvaterlicher uod mütterliuher Seite und von seiten ihres Oheims des Ritters Ricoude von Heyswic, mit Ausnahme von 1200 alten Schilden, 20 realen Jahrgelds oder 200 alten Realen. Alard, Bruder Wennemars siegelt mit. Orig. 1 Siegel (Alards) ab. Archiv des Freiherrn von Romberg zu Brünninghausen No. 17. 1373. Januar 7. Der Bischof VOD Munster, Florenz von Wevelinghofen, bestatigt die Stiftung eines Altares durch den Knappen Wennemar von Heyden und dessen Frau Sophie zum eigenen Seelenheile und zu dem Ihrer Eltern, namlich des Ritters Menso von Heyden und dessen Frau Sophie und des Gottfried von Honnepel und dessen Frau Lambergis, der Eltern der Frau Wennemars.- Die Kinder von Wennemar von Heijden und Sophie: Menso, Sophia und Lambergis sind damit eiuverstanden. Es werden die Verpflichtuugen des Vikars festgesetzt und hierbei unter anderen bestimnit, dass zur Kriegszeit auf der Burg Engelrading Messe gelesen werden soll an bestiinmten Tagen und Festen, wenn kein kanonisches üinderniss vorliegt und der Pfarrer von Borken seine Erlaubniss giebt. Staatsarehiv Munster: Kopie in Msc. 11, 4 S. 157\emdash 160. 1386 September 29. Graf Adolf von Cleve ernennt zuniichst auf die Zeit bis zum 24. Juni 1388 Wennemar von hei/den zu seinem Drosten in seinem alinger lande van der Heitere end hebben oen mede bevolen onse hues toe Rosennouive; ivillich onse vorgen. ampte end hues Me ons trueweliken hueden, waren, weren end beschiidden sal na sinre macht. Seine Pffichten und Rechte werden festgestellt. Beide Teile haben das Recht der Kündigung. Fiir etwaige Schaden im Dienste des Grafen wird Wennemar entsuhadigr. Staatsarehiv Düsseldorf: Registerbikher der Grafen und Herzöge von Cleve und Mark, G. 63. Gleichzeitige Niederschrilt. 1314 Juli 10. Bischof Ludwig vou Munster bekundet, dass seine Ministerialin Alheydis, luchter des verstorbenen Alhardus de Heijden und dessen Gattin Alheydis, Ministerialin der Aebtissin von Essen geworden ist und dass er von dieser dagegen als M i nisterialin Hadewegis, Tochter des verst. Johannes dictus Overvelt und dessen Gattin Elisabeth, erhalten habe. Orig. Siegel ab. Staatsarchiv Düsseldorf: Stift Essen No. 161. B. 1317 Juni 26. Die Wittwe Aleydis des Hermannus schultetus curtis de Vehove bekundet, seitens der Aebtissin von Essen zwei zu obigein Hof gehorige Besitzungen überti agen erhalten zu haben. I n cuius rei testimonium presentes litteras sigillis dilectorum consanguineorum meorum domini Mauricii Lembeke, decani Assindensis (Essen) et domiui Wenemari de Aldendorpe et domini Menzonis de Heyden, fratris mei, militis petii sigillari. Unter den Zeugen Wennemarus de Heyden. Staatsarchiv Munster. Kopie in Msc. I I . S. 217\emdash 218. | van Heyden, Wenemer (I419)
|
| 5339 | Werd als 11 jarige op 10 Feb 1599 als student in Leiden ingeschreven. Hoe een corrupte stadsbestuurder zijn huisdier liet begraven. DE DODE HOND van een foute schout DAVID BREMMER Leidse hoogleraren en stadsbestuurders rouwden in 1634 opzichtig op de begrafenis van een dode hond. Een proefschrift beschrijft hoe de stadselite een corrupte schout het hand boven het hoofd hield en zich onsterfelijk belachelijk maakte. Een begrafenisplechtigheid voor een huisdier: is dat in het Nederland-van-nu op zijn minst ongebruikelijk, in de calvinistische zeventiende-eeuwse Republiek was het ongehoord. Toch is dat precies wat er in 1634 te Leiden gebeurde. Aan het schandaal, dat de Leidse bevolking hoon en spot opleverde, is door Amerikaanse promovenda Cynthia von Bogendorf Rupprath een proefschrift gewijd. De geschiedschrijving draait om schout Willem de Bont, zoon van Gerardus Bontius, de eerste hoogleraar geneeskunde aan de Leidse universiteit en tweemaal rector magnificus. Als enige van Bontius' zonen ging Willem niet de medicijnen in, maar studeerde hij rechten. Na hoogleraar te zijn geweest, belandde hij in het stadsbestuur waar hij in 1619 tot schout werd benoemd. Dat was een voorname positie: niet alleen was De Bont hoofd van de politie, ook was hij beschermheer van de universiteit en verantwoordelijk voor de officiële rechtsspraak. Ondanks zijn voorname afkomst en zijn bliksemcarrière, bleek Willem allerminst een succesvolle schout. Zo joeg hij weliswaar fanatiek, maar met weinig fortuin op de remonstranten, de door prins Maurits illegaal verklaarde calvinistische stroming van hoogleraar Jacob Arminius. Daarnaast werd hij keer op keer beschuldigd van corruptie, drankmisbruik, aanname van steekpenningen en verwaarlozing van zijn ambtelijke taken. Ook nam hij het niet zo nauw met de huwelijkse trouw en kreeg hij kritiek omdat hij te weinig naar de kerk ging en niet hard optrad tegen de katholieken. Het was echter niet zijn functioneren die hem een plaatsje in de geschiedenisboeken bezorgde. Medio januari 1634 bezweek zijn lievelingshond Tyter aan een plots opgekomen keelaandoening. De schout was ten einde raad: niet alleen nam hij zijn trouwe viervoeter overal mee naar toe, bovendien waren De Bont en zijn echtgenote Maria van Dilsen kinderloos. Tyter was het kind dat zij nooit hadden. Omdat hij zijn dienstmeisje wantrouwde -zij zou nog een appeltje met hem te schillen hebben omdat De Bont haar ooit zwanger had gemaakt- liet de schout autopsie uitvoeren. Volgens geruchten kwam daarvoor de bekende hoogleraar Adriaen van Valckenburgh opdraven. Hoewel enkele geschriften suggereren dat de hond is gewurgd, blijft onduidelijk of Tyter is omgebracht. De zeer ongebruikelijke autopsie was nog maar het begin. Vervolgens liet De Bont Tyter dagenlang opbaren en organiseerde hij een pompeuze begrafenis met alle voor menselijke overledenen ceremoniële gebruiken. Samen met zijn vrouw verzocht hij vrienden en kennissen om hun kinderen en huisdieren te laten meelopen in de begrafenisstoet. Die gaven aan het verzoek verhoor. Zo paradeerde op 29 januari het merkwaardigste cortège ooit door Leiden: vooraan droeg het zoontje van advocaat Backer het lijk van Tyter, daarachter volgde de dienstmeid met de hondjes Vorst en Spier - naaste bloedverwanten van Tyter - en weer daarachter de hond van geneeskundeprofessor Schrevel. Het graf werd door stadscipier Claes Dircxsz gegraven (en moet zich volgens Von Bogendorf in de tuin van Gerecht 10 bevinden). Op het gebruikelijke begrafenisdiner gaf de gehele stadselite acte de présence, waaronder de meest invloedrijke stadsbestuurder Jacob van Broeckhoven. Pikante aanwezige was ook Harme Piso, de organist van de Hooglandse kerk, die Bonts echtgenote Maria volgens geruchten ook in Bijbelse zin zou kennen en 'wiens ving'ren zijn gewent, te hand'len haer luyt'. Door bovengenoemde instemming van de hoge burgerij, betoogt Von Bogendorf Rupprath, was Tyters begrafenis van meet af aan een dankbaar onderwerp van hoon. Zo reageerde Vondel meteen met zijn hekeldicht 'Begraefnis van den Hond van Schout Bont', terwijl de naar Amsterdam gevluchte remonstrantse hoogleraar logica Caspar Barlaeus het schandaal al op 4 maart in een brief spottend beschrijft. Er kwam een stortvloed van gedichten, liederen en publicaties op gang die tot de achttiende eeuw voortduurde. En zelfs nog later, getuige bijvoorbeeld Simon Vestdijks roman De Vuuraanbidders uit 1947. Bonts goede contacten met de elite verklaren ook dat hij ondanks de grote kritiek op zijn functioneren elke keer de verplichte driejaarlijkse evaluatie van het stadsbestuur overleefde en 27 jaar lang, tot zijn dood in 1646, schout kon blijven. Met name zijn vriendschap met Van Broeckhoven hielp daarbij. Deze behoorde tot Leidens rijkste burgers en was een van de 24 rechters in het proces tegen raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1618. De dood van Tyter was niet de eerste keer is dat Leiden door een hond in opspraak raakte, zo blijkt uit het proefschrift. Zo stond de Leidse bevolking in de rest van de Nederlanden al bekend als 'hondenhangers'. In 1595 zou namelijk een hond openbaar zijn opgehangen omdat het beest per ongeluk een kind had gedood. Verder waren de termen 'hondenleven' en 'hondenslagers' bekend. De eerste term sloeg uiteraard op het miserabele leven van de vele zwerfhonden, bijvoorbeeld bij het beleg in 1574 toen hond vanwege de hongersnood nogal eens op het menu stond. En de 'hondenslagers' sloeg op de burgers die de beesten uit straten en kerken joegen (uit angst voor besmetting met de pest) en op de medische studenten die honden nodig hadden voor hun vivisectieproeven. Uiteindelijk brengt Von Bogendorf Rupprath het schandaal terug naar de kern, waarbij, het zal niet verbazen, religie centraal staat. De in Leiden begonnen twisten tussen de twee protestante hoofdstromingen, de 'precieze' contraremonstranten van hoogleraar Gomarus en de 'rekkelijke' remonstranten van Arminius, beheersten het publieke debat. Dat de begrafenis van De Bont zoveel publiciteit kreeg, kwam doordat de schout zijn remonstrantse stadsgenoten als honden behandelde, maar zijn hond Tyter als plaatsvervangend kind. | de Bont, Willem (I8632)
|
| 5340 | Werd als 11 jarige op 10 Feb 1599 als student in Leiden ingeschreven. Hoe een corrupte stadsbestuurder zijn huisdier liet begraven. DE DODE HOND van een foute schout DAVID BREMMER Leidse hoogleraren en stadsbestuurders rouwden in 1634 opzichtig op de begrafenis van een dode hond. Een proefschrift beschrijft hoe de stadselite een corrupte schout het hand boven het hoofd hield en zich onsterfelijk belachelijk maakte. Een begrafenisplechtigheid voor een huisdier: is dat in het Nederland-van-nu op zijn minst ongebruikelijk, in de calvinistische zeventiende-eeuwse Republiek was het ongehoord. Toch is dat precies wat er in 1634 te Leiden gebeurde. Aan het schandaal, dat de Leidse bevolking hoon en spot opleverde, is door Amerikaanse promovenda Cynthia von Bogendorf Rupprath een proefschrift gewijd. De geschiedschrijving draait om schout Willem de Bont, zoon van Gerardus Bontius, de eerste hoogleraar geneeskunde aan de Leidse universiteit en tweemaal rector magnificus. Als enige van Bontius' zonen ging Willem niet de medicijnen in, maar studeerde hij rechten. Na hoogleraar te zijn geweest, belandde hij in het stadsbestuur waar hij in 1619 tot schout werd benoemd. Dat was een voorname positie: niet alleen was De Bont hoofd van de politie, ook was hij beschermheer van de universiteit en verantwoordelijk voor de officiële rechtsspraak. Ondanks zijn voorname afkomst en zijn bliksemcarrière, bleek Willem allerminst een succesvolle schout. Zo joeg hij weliswaar fanatiek, maar met weinig fortuin op de remonstranten, de door prins Maurits illegaal verklaarde calvinistische stroming van hoogleraar Jacob Arminius. Daarnaast werd hij keer op keer beschuldigd van corruptie, drankmisbruik, aanname van steekpenningen en verwaarlozing van zijn ambtelijke taken. Ook nam hij het niet zo nauw met de huwelijkse trouw en kreeg hij kritiek omdat hij te weinig naar de kerk ging en niet hard optrad tegen de katholieken. Het was echter niet zijn functioneren die hem een plaatsje in de geschiedenisboeken bezorgde. Medio januari 1634 bezweek zijn lievelingshond Tyter aan een plots opgekomen keelaandoening. De schout was ten einde raad: niet alleen nam hij zijn trouwe viervoeter overal mee naar toe, bovendien waren De Bont en zijn echtgenote Maria van Dilsen kinderloos. Tyter was het kind dat zij nooit hadden. Omdat hij zijn dienstmeisje wantrouwde -zij zou nog een appeltje met hem te schillen hebben omdat De Bont haar ooit zwanger had gemaakt- liet de schout autopsie uitvoeren. Volgens geruchten kwam daarvoor de bekende hoogleraar Adriaen van Valckenburgh opdraven. Hoewel enkele geschriften suggereren dat de hond is gewurgd, blijft onduidelijk of Tyter is omgebracht. De zeer ongebruikelijke autopsie was nog maar het begin. Vervolgens liet De Bont Tyter dagenlang opbaren en organiseerde hij een pompeuze begrafenis met alle voor menselijke overledenen ceremoniële gebruiken. Samen met zijn vrouw verzocht hij vrienden en kennissen om hun kinderen en huisdieren te laten meelopen in de begrafenisstoet. Die gaven aan het verzoek verhoor. Zo paradeerde op 29 januari het merkwaardigste cortège ooit door Leiden: vooraan droeg het zoontje van advocaat Backer het lijk van Tyter, daarachter volgde de dienstmeid met de hondjes Vorst en Spier - naaste bloedverwanten van Tyter - en weer daarachter de hond van geneeskundeprofessor Schrevel. Het graf werd door stadscipier Claes Dircxsz gegraven (en moet zich volgens Von Bogendorf in de tuin van Gerecht 10 bevinden). Op het gebruikelijke begrafenisdiner gaf de gehele stadselite acte de présence, waaronder de meest invloedrijke stadsbestuurder Jacob van Broeckhoven. Pikante aanwezige was ook Harme Piso, de organist van de Hooglandse kerk, die Bonts echtgenote Maria volgens geruchten ook in Bijbelse zin zou kennen en 'wiens ving'ren zijn gewent, te hand'len haer luyt'. Door bovengenoemde instemming van de hoge burgerij, betoogt Von Bogendorf Rupprath, was Tyters begrafenis van meet af aan een dankbaar onderwerp van hoon. Zo reageerde Vondel meteen met zijn hekeldicht 'Begraefnis van den Hond van Schout Bont', terwijl de naar Amsterdam gevluchte remonstrantse hoogleraar logica Caspar Barlaeus het schandaal al op 4 maart in een brief spottend beschrijft. Er kwam een stortvloed van gedichten, liederen en publicaties op gang die tot de achttiende eeuw voortduurde. En zelfs nog later, getuige bijvoorbeeld Simon Vestdijks roman De Vuuraanbidders uit 1947. Bonts goede contacten met de elite verklaren ook dat hij ondanks de grote kritiek op zijn functioneren elke keer de verplichte driejaarlijkse evaluatie van het stadsbestuur overleefde en 27 jaar lang, tot zijn dood in 1646, schout kon blijven. Met name zijn vriendschap met Van Broeckhoven hielp daarbij. Deze behoorde tot Leidens rijkste burgers en was een van de 24 rechters in het proces tegen raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1618. De dood van Tyter was niet de eerste keer is dat Leiden door een hond in opspraak raakte, zo blijkt uit het proefschrift. Zo stond de Leidse bevolking in de rest van de Nederlanden al bekend als 'hondenhangers'. In 1595 zou namelijk een hond openbaar zijn opgehangen omdat het beest per ongeluk een kind had gedood. Verder waren de termen 'hondenleven' en 'hondenslagers' bekend. De eerste term sloeg uiteraard op het miserabele leven van de vele zwerfhonden, bijvoorbeeld bij het beleg in 1574 toen hond vanwege de hongersnood nogal eens op het menu stond. En de 'hondenslagers' sloeg op de burgers die de beesten uit straten en kerken joegen (uit angst voor besmetting met de pest) en op de medische studenten die honden nodig hadden voor hun vivisectieproeven. Uiteindelijk brengt Von Bogendorf Rupprath het schandaal terug naar de kern, waarbij, het zal niet verbazen, religie centraal staat. De in Leiden begonnen twisten tussen de twee protestante hoofdstromingen, de 'precieze' contraremonstranten van hoogleraar Gomarus en de 'rekkelijke' remonstranten van Arminius, beheersten het publieke debat. Dat de begrafenis van De Bont zoveel publiciteit kreeg, kwam doordat de schout zijn remonstrantse stadsgenoten als honden behandelde, maar zijn hond Tyter als plaatsvervangend kind. | de Bont, Willem (I8632)
|
| 5341 | Werd als weduwe op 14 Juni 1469 met Wernsinck beleend | van Bevervoorde, Geertruid (I8937)
|
| 5342 | Werd als weduwe op 14 Juni 1469 met Wernsinck beleend | van Bevervoorde, Geertruid (I8937)
|
| 5343 | Werd burger van Delft 9 april 1580. Koopman in meekrap en wijnen, gegoed in Delfland, op Voorne en op Putten. Hopman schutterij 1590 tot 1592. Vroedschap 1596, schepen 1597-1601, burgemeester 1601-1604, 1606-1608, gedeputeerde ter dagvaart Staten van Holland (1602, 1606 zoz 1608), weesmeester 1609-1910, thesaurier 1615 van Delft. Zijn vermogen werd in 1625 geschat op 765'000 gulden. | van Beresteyn, Paulus (I1792)
|
| 5344 | Werd ook Jasper en Jan genoemd. Kapitein in Duitse dienst 1527 Jasper van Brienen heer van Lathmer, trouwde 1. met Aleida van der Horst en trouwde 2. met Louise Sasbout, dochter vam Joost Sasbout en Catharina van der Meer. 13 Maart 1612. Accoord geteekend te Wageningen tusschen de Edele Jan van Brienen en Anneke van Brienen syne suster geassisteert met haere eheman de edele Lodewick de Edel als haere gekoren voegdt, kinderen vanwijlen die edele Gysbert van Brienen en van Anneken van Hackfort tho den Suetendael inderteyt eheluyden , ter eener en die eedele Arent vanBrienen , Schepen tho Arnhem ten andere zijde; waarbij bepaald werd, dat Jan van Brienen en Anneke van Brienen de hoeven, bosschen en landen gelegen in de ampte van Eede zullen behouden, gelijk aan hun vader de genoemde Gysbert van Brienen waren geprelegateerd door zijn vader die eedele Jasper van Brienen en Aeltie van der Horst tot Mulckhave; en dat Arent van Brienen, halfbroeder van Gijsbert , de goederen zal krijgen gelegen in den ambachte van Arnhem te Ermel op de Veluwe, komende van het 2e huwelijk van Jasper van Brienen en zijn 2" vrouw Wyse Sasbout moeder van Arent; geteekend : die eedele Lodewijck Sastbout, Frederick van Arnhem, Arent van Brienen , oomen en oud oomen, Jan van Brienen, A. van Brienen, E. d' Edel en Arent van Brienen. | van Brienen, Gijsbert (I2370)
|
| 5345 | werkman te Amerongen. Hij is waarschijnlijk niet een zoon van Willemijntje, maar van een eerder huwelijk van Hermanus. | van Kapelleveen, Evert (I3134)
|
| 5346 | Werkman. Wonen in Rietveld in 1864 | Versloot, Hendrik (I10017)
|
| 5347 | Werkman. Wonen in Rietveld in 1864 | Versloot, Hendrik (I10017)
|
| 5348 | Werner van Pallant (ca. 1520 - 1 december 1594). Hij trouwde (1) op 4juni 1557 met Raba van Wylich (1530-1562). Zij was een dochter van Otto van Wylich (1490 - 4 juni 1557) en Elisabeth van Buderich (1500 - 3juni 1541). | van Pallant, Werner (I1741)
|
| 5349 | Wessex, Aethelwulf [Cerdic] of King of Essex, Sussex & Kent (839-58). Van Ethelwulf zijn twee huwelijken gedocumenteerd maar er wordt aangenomen dat hij drie keer getrouwd is geweest en ook nog een minnares heeft gehad. Anders zijn leeftijdsverschillen tussen zijn kinderen en de manier waarop hun onderlinge verhouding wordt beschreven, niet te verklaren: 1.veronderstelde eerste vrouw: 1.Æthelstan 2.Osburga (ca. 810 - 855?), dochter van Oslac van Wight 1.Ethelbald (ca. 834 - 860) 2.Ethelswith (ovl. Pavia, 888). Vermoedelijk als jong meisje uitgehuwelijkt aan koning Burghred van Mercia. Overleden op weg naar Rome. 3.Ethelred (ca. 837 - 871) 4.Alfred de Grote (848 of 849 - 899) 5.Osweald, (ovl. ca. 875), alleen bekend als getuige uit enkele aktes. 3.Judith van West-Francië een dochter van Karel de Kale, die op 1 oktober 856 te Verberie-sur-Oise, 12 jaar oud, met de toen bijna 60-jarige Ethelwulf trouwde. Zij hadden geen kinderen. Volgens Frankisch gebruik werd ze "koningin" genoemd in plaats van "vrouw van de koning" wat onder de Angelsaksen gebruikelijk was. Deze meer formele status leidde tot veel weerstand onder de adel. Na de spoedige dood van Ethelwulf, nam diens oudste zoon Ethelbald haar tot vrouw. Ook dit huwelijk bleef zonder kinderen en werd later ongeldig verklaard wegens (aangetrouwde) bloedverwantschap. Judith werd teruggezonden naar haar vader en werd uiteindelijk van zijn hof geschaakt door Boudewijn I van Vlaanderen die later met haar trouwde. (4) minnares: Ethelbert (ca. 835 - 866). Kon na de dood van Ethelbald koning worden, vermoedelijk omdat de overgebleven wettige zoons nog te jong waren. | Wessex, Aethelwulf King of Saxons (I5100)
|
| 5350 | Wessex, Alfred I 'the great' of King of England, 871-899. Ethelwulf, King of the West Saxons, succeeded his father, Egbert, in A.D. 839. Aelthelwulf's reign was chiefly occupied with struggles against the Danes. After the king's defeat 843-844, the Somerset and Dorset levies won a victory at the mouth of the Parret (c. 850). In 851 Ceorl, with the men of Devon, defeated the Danes at Wigganburg, and Aethelstan of Kent was victorious at Sandwich; despite this the Danes wintered in England that year for the first time. In 851 also Aethelwulf and Aethelbald won their great victory at Aclea, probably the modern Ockley. In 853 Aelthelwulf subdued the North Welsh, in answer to the appeal of Burgred of Mercia, and gave him his daughter Ethelswith in marriage. The year 855 is the date of the Donation of Aethelwulf and of his journey to Rome with Alfred. On his way home he married Judith, daughter of Charles the Bold. According to Aser he was compelled to give up Wessex to his son Aethelbald on his return, and content himself with the eartern under-kingdom. He died in 858. | Wessex, Alfred I King of England (I5098)
|
