Notes
Matches 301 to 350 of 5,674
| # | Notes | Linked to |
|---|---|---|
| 301 | Aaltje Jansen van Doorn, ged. Scherpenzeel 27-10-1743, op Koudijs onder ´t Sticht, dr. van Jan Jansz van Doorn en Gijsbertje Jans van de Haar/van Doorn/Koudijs Another source calls her: Mietje Jansen van Doorn | van Doorn, Aaltje Jansen (I2719)
|
| 302 | Aaltje Jansen van Doorn, ged. Scherpenzeel 27-10-1743, op Koudijs onder ´t Sticht, dr. van Jan Jansz van Doorn en Gijsbertje Jans van de Haar/van Doorn/Koudijs | van de Haar, Gijsbertje Jans (I3132)
|
| 303 | Aaltje married Roelof Jacobs van Pipping on 17 august 1689 in Amersfoort. Roelof Jacobs van Pipping was born in Amersfoort. Spouses/Children:: Roelof Jacobs van Pipping •Hendrikje Roelofs van Pipping •Jacob Roelofs van Pipping •Jannigje Roelofs van Pipping •Neeltje Roelofs van Pipping •Pieternel Roelofs van Pipping •Jacobje Roelofs van Pipping den-uijl.nl/genealogy/4/46901.htm | Knoot, Aaltje Pieters (I6793)
|
| 304 | Aaltje Masereeuw, geb. te Opperdoes 30 jul 1830 Gehuwd te Opperdoes 22 apr 1852 met: Reinier Tinkelenberg, geb. te Opperdoes 22 jul 1828, ovl. te Opperdoes 17 sep 1854, beroep(en): landbouwer, zoon van Jan Tinkelenberg en Grietje Zwier | Masereeuw, Aaltje (I1627)
|
| 305 | Aaltje van der Horst tot Mullickhave, tot den Oosterling | van der Horst, Aaltje (I4728)
|
| 306 | Aaltje, geb. 28.1.1902, handwerkonderwijzeres, onderscheiden met de zilveren medaille O.N., overl. Woerden (ziekenhuis) 25.4.1980. | van Osnabrugge, Aaltje (I73)
|
| 307 | Aannemer-metselaar, schoorsteenbouwer | van Osnabrugge, Hendrik Dirk (I1203)
|
| 308 | Aannemer. Lidm. Scherpenzeel 09-04-1960: Jan Osnabrugge. | Osnabrugge, Jan (I2771)
|
| 309 | Aanvankelijk pachter op een hoeve met 53g bouwland in het West Nieuwland van prof. Reinier BONTIUS wonend te Leiden en van de familie van DAM; tevens pachter van 7g land van de familie van SPREEUWESTEIJN, en van een aantal percelen van de grafelijke domeinen 1594-1610 als opvolger van Jacob Janzn ROSE, de overleden echtgenoot van zijn eerste vrouw, Grietje CORNELISDR. Tot 1631 was hij eigenaar van een haaigemet-hoeve, groot 33 g., in het Oude Land en sedert 1637 eigenaar van een huis aan de Boompjes te Ouddorp. Schepen van het Oude Nieuwland 1628-1635. | Tanis, Maarten (I5405)
|
| 310 | Accompanied Anne of Cleves from Antwerp to Calais on her way to her wedding to Henry VIII | van Egmond van Buren, Maximiliaan (I629)
|
| 311 | According to Genlias born 1805/6 | van Oostenbrugge, Matthijs (I5554)
|
| 312 | according to Linda TANIS-CASTILLO | Tanis, N.N. (I5401)
|
| 313 | according to Linda TANIS-CASTILLO | Tanis, Vrouw (I5402)
|
| 314 | According to Zeeuwse Kwartierstaten he died in 1661; but Mrs. Brouwer- Verheijen notes date and place as October 4, 1704 in West- Nieland/Ouddorp. He then would have been 90-95 years of age. | van Strijen, Willem (I5428)
|
| 315 | accorging to Fahne. | von Ossenbroich, Anna (I9902)
|
| 316 | accorging to Fahne. | von Ossenbroich, Anna (I9902)
|
| 317 | Accountant | Roosjen, Geurt (I2644)
|
| 318 | Acte van belening door Gelre van Thomas Yseren met de Boedelhof onder Eefde, na opdracht door zijn broeder Andries, 1502. 1 charter geldersarchief.nl Register op de LEENAKTENBOEKEN van het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen. Het kwartier van Zutphen. Die Bodolff ende Lenting met allen heuren tobehoren, gelegen in den kerspel van Warnsfelde ende in den kerspel van Almeloe (=Almen), te dienstmansrechte ontfangen bij Andries Y s e r e n, a°. 1378. Idem ontflnck dat goet ter Bodoloff, in den kerspel van Warnsfelde gelegen, tot Zutphenschen rechten, a°. 1405. (De akte zegt verder: "Item dat goit te Lentyngh yn den kirspell van Almen gelegen". De latere akten spreken alleen van den Boedelhoff.) Idem tuchtigt sijn wijff Stijne, dochter Willlems van den C o l c k e , an 18 alde gulden schilde jaerlix uut desen goede Bodeloff, a°. 1406. Idem, anno 1424. Andries Yseren beleent, a°. 1436. Idem, a°. 1465. Idem ontfinck dat goet geheiten Boedeloff met sijnen tohehoren, in den kerspel van Warnsfeld, in der buyrschap van Evede gelegen, daer naest gelant is dat goet ter Havick an deen ende die marck van Wolffseler an dander sijde, tot Zutphenschen rechten, 12 Octobris 1473. Andries van Yseren, erve sijnes vaders Andries, 21 Augusti 1484, Idem, canoniek t' Emrick, vernijt eedt deur Willem Yseren, sijnen hulder, a°. 1495. Thomas Yseren erft op sijnen soon onmundig genoomt Willem Yseren, 27 Octobris 1528. Lense Veren is momber. Cornelis Yseren vernijt eedt, 23 Septembris 1538. Idem als erve sijnes vaders Thomas beleent, 23 Novembris 1544. Idem tuchtigt sijn vrou Berte G e l m e r s, eodem die. Idem vernijt eedt, 27 Aprilis 1556. Idem tuchtigt sijn vrou met beding 't goet niet hoger als met xc daler te bes waren, 17 Aprilis 1577. Dirck Iseren crigt uutstel, 4 Septembris 1598, tot Martini. Andries Iseren, ervo sijnes broders Cornelis voorn., erft voort op Dirck Iseren, sijnen soon, diewelcke, beleent sijnde, belast dit selve leen met 1000 daler tot vernueginge der armen ende anderen sijnes vaders ende sijnor crediteuren, 18 Octobris 1599. Gerlich van der C a p e l , raet, bij transport Dirck Iserens, 22 Septembris 1601. | Yseren, Thomas (I1117)
|
| 319 | Active in 1077. Stamhuis Steinhaus bij Calcar wordt reeds in 1158 genoemd, ook in 1219 en 1344. Walraaf van Steenhuys, die alzoo door koop heer van Aerdt werd, was zoon van Godert, heer van Oploo, en Elberta van Honnepell genaamd Impel tot Groen, en afstammeling van Godfried, den 3den zoon van ridder G. van der Horst, die den naam van Steenhuys ontving, omdat hij bij Calcar omstreeks 1100 een steenen huis bouwde en bewoonde. (De 2de zoon van G. van der Horst, Arnold, heette van Holthuysen, daar zijne woning van hout was, terwijl de oudste zoon, Diederik, den naam van der Horst behield). Van dezen Godfried, den eersten, die den naam van Steenhuys voerde, stamde ook af Adolf van Steenhuys, in 1355 gestorven, die door diens huwelijk met Beatrix van Wijlich heer van Wylich werd, en stichter van het geslacht von Wylich und Lottum. De tak der van Steenhuysen van Oploo vond haren stichter in Godert, die in 1506 stierf en gehuwd was met Elisabeth of Reiske van der Voordt (wier moeder eene van Meerwijck was); die tak splitste zich wederom in de families van Steenhuys van Heumen en Malden, Poederle en Hernen. De laatste mansoir van het geslacht van Steenhuys was Alexander Franciscus baron van Steenhuys, heer van Hernen, die omstreeks 1811 overleed en slechts 2 dochters naliet. Heraldieke bibliotheek: tijdschrift voor geslacht en wapenkunde Uitgegeven door J.B. Rietstap. Tweede Deel. 1880. pagina 7. | van Steenhuys, Godfried (I342)
|
| 320 | Active in 1339 | von Neuenhoven, Wilhelm (I174)
|
| 321 | Active in 1438 | von Ossenberg, Nicolaus (I773)
|
| 322 | Active in 1514 | van Rijswijk, Jan (I289)
|
| 323 | Actually, born in Driesum One source names her: Baukje van der Heide, and the mother of: - Halbe (1808-1850) - Aalsen (1815-1876) - Aafke (1819-1902) | Steistra, Baukjen Gerrits (I9360)
|
| 324 | Actually, born in Driesum One source names her: Baukje van der Heide, and the mother of: - Halbe (1808-1850) - Aalsen (1815-1876) - Aafke (1819-1902) | Steistra, Baukjen Gerrits (I9360)
|
| 325 | Ada is referenced as the daughter of the duke / prince of Milan. Given that she was married to Willem around 1241, that would refer to either Pagano della Torre or Martino della Torre (the former's brother). However, Martino died childless and therefore her father must be Pagano. In de file Karel de Grote reeks III wordt een andere achternaam voor Ada van Brederode gegeven en met trouwdatum in Milaan 1241 Ada Blancha (Maria) della Torre (zeer gedetailleerde informatie "Chronica van de Edele welgeborene Heeren ende Baroenen van Egmond" auteur A. Hovaeus, monnik van de abdij van Egmond en vanaf 1561 abt van Echternach +1568. Daarbij de aantekening dat Aelbert van Egmont +1114 en ouder een legendarische gegeven zijn). De figuur van Pagano della Torre situeert zich op het einde van de 13e en het begin van de 14e eeuw in geestelijke kringen, zodat het vaderschap van een Pagano della Torre geboren in de 12e eeuw onwaarschijnlijk lijkt: In andere gegevens wordt uitgegaan van Aleidis (Ada) van Brederode *Slot Brederode 1232 +20/1/1297, in tr.1260 met Willem II van Egmont *~1225 +1302/04. Zij zou geboren zijn als dochter van Dirk Drosselaar van Brederode *~1190-+1234 en Alveradis van Heusden *~1190. Dochter: Halewine van Egmond *1260 +1310. | della Torro, Ada Blanca (I4715)
|
| 326 | Ada of Huntingdon (c. 1146- after 1206) She was a Scottish noblewoman and became Countess of Holland by marriage to Floris III. Read her lineage to William the Conqueror on the right side of this page. Ada was born in Scotland, the daughter of Henry of Huntingdon (1114-1152) and Ada de Warenne (died c. 1178). Prince Henry was the son of King David I of Scotland and Maud, Countess of Huntingdon. Ada's siblings include the Scottish kings Malcolm IV and William the Lion. In 1162, when Ada was 16, she was asked for her hand in marriage to Floris III, Count of Holland by the Abbot of Egmond, Holland. Together, the Abbot and Ada traveled back to Holland, where the wedding ceremony occurred, probably in Egmond, on 28 August 1162. Ada received the County of Ross in the Scottish Highlands as a wedding gift. Ada was not actively involved in the governance of the County of Holland but was occasionally mentioned in documents. Floris, her husband was a loyal ally of the Holy Roman Emperor, Frederick II, and often went with him into battle. Ada is known to have read Latin. Ada died after 1206 and was probably buried in the Abbey of Middelburg, to which she had already made donations of 64 pounds. | of Scotland, Ada (I1600)
|
| 327 | Adalbert I (died after 28 February 929) was the margrave of Ivrea, the second of the Anscarid dynasty, from the late 890s until his death. In the intermittent civil war which affected Italy from 888 into the 930s, Adalbert initially strove to remain neutral, but from 901 on he sided sequentially with every claimant to the Italian throne. He was a son of Margrave Anscar I, originally from Oscheret in Upper Burgundy. He succeeded his father at Ivrea between 896 and 900. He initially refused to take sides after King Louis of Provence invaded Italy in 900, but after Louis's imperial coronation in 901 he recognised his authority. After Louis was defeated by his rival, Berengar I, in 902, Adalbert changed sides. Shortly thereafter, by 903 at the latest, he married Gisela of Friuli, Berengar's daughter, which was possibly the price of his allegiance. Although Adalbert is not recorded as being related to the king in any of Berengar's charters down through 14 August 908 and his marriage is not explicitly referenced before 13 June 910, it must have taken place some fifteen years before he and Gisela's eldest son was sent was granted a county and a missaticum in 918. With Gisela he had two children: Berengar, who succeeded him as margrave, and Bertha, who became abbess of Modena. Between 913 and 915 Gisela died and Adalbert married Ermengarde of Tuscany (901 - 29 February 931/2), daughter of Margrave Adalbert II of Tuscany. From this marriage he had a second son, Anscar, later Duke of Spoleto. In 916-17 his primary concern was Saracen raids. In 920-21 he joined those noblemen, many of Burgundian origin like him, who supported the candidature of King Rudolf II of Burgundy for the Italian throne. Adalbert, with Lambert, Archbishop of Milan, and Count Gilbert of Bergamo, assembled a force in the mountains outside Brescia with the intention of marching on Verona and capturing Berengar there. When the latter got wind of the plan, he sent a troop of Magyar mercenaries to circle the conspirators and attack them from behind. In the midst of defeat, Adalbert swapped clothing with one of his soldiers and paid his own ransom at a low price. By late 921 Rudolf had entered Italy and been recognised as king in the march of Ivrea and the archdiocese of Milan. Although Adalbert made a few appearances at Rudolf's court in the early days, he never frequented it as often as did his wife and his two sons. After his relative Hugh ascended the Italian throne, Adalbert appearances in the records are sparse. He apparently played no role in Rudolf's deposition and Hugh's acclamation. He was probably gravely ill, since Liutprand of Cremona, writing in 924-25, already thought him dead. His last recorded action, probably shortly before he died, was a donation to the church of Saint Andrew in Turin, which was witnessed by King Hugh on 28 February 929. | of Ivrea, Adalbert I (I10387)
|
| 328 | Adalbert I (died after 28 February 929) was the margrave of Ivrea, the second of the Anscarid dynasty, from the late 890s until his death. In the intermittent civil war which affected Italy from 888 into the 930s, Adalbert initially strove to remain neutral, but from 901 on he sided sequentially with every claimant to the Italian throne. He was a son of Margrave Anscar I, originally from Oscheret in Upper Burgundy. He succeeded his father at Ivrea between 896 and 900. He initially refused to take sides after King Louis of Provence invaded Italy in 900, but after Louis's imperial coronation in 901 he recognised his authority. After Louis was defeated by his rival, Berengar I, in 902, Adalbert changed sides. Shortly thereafter, by 903 at the latest, he married Gisela of Friuli, Berengar's daughter, which was possibly the price of his allegiance. Although Adalbert is not recorded as being related to the king in any of Berengar's charters down through 14 August 908 and his marriage is not explicitly referenced before 13 June 910, it must have taken place some fifteen years before he and Gisela's eldest son was sent was granted a county and a missaticum in 918. With Gisela he had two children: Berengar, who succeeded him as margrave, and Bertha, who became abbess of Modena. Between 913 and 915 Gisela died and Adalbert married Ermengarde of Tuscany (901 - 29 February 931/2), daughter of Margrave Adalbert II of Tuscany. From this marriage he had a second son, Anscar, later Duke of Spoleto. In 916-17 his primary concern was Saracen raids. In 920-21 he joined those noblemen, many of Burgundian origin like him, who supported the candidature of King Rudolf II of Burgundy for the Italian throne. Adalbert, with Lambert, Archbishop of Milan, and Count Gilbert of Bergamo, assembled a force in the mountains outside Brescia with the intention of marching on Verona and capturing Berengar there. When the latter got wind of the plan, he sent a troop of Magyar mercenaries to circle the conspirators and attack them from behind. In the midst of defeat, Adalbert swapped clothing with one of his soldiers and paid his own ransom at a low price. By late 921 Rudolf had entered Italy and been recognised as king in the march of Ivrea and the archdiocese of Milan. Although Adalbert made a few appearances at Rudolf's court in the early days, he never frequented it as often as did his wife and his two sons. After his relative Hugh ascended the Italian throne, Adalbert appearances in the records are sparse. He apparently played no role in Rudolf's deposition and Hugh's acclamation. He was probably gravely ill, since Liutprand of Cremona, writing in 924-25, already thought him dead. His last recorded action, probably shortly before he died, was a donation to the church of Saint Andrew in Turin, which was witnessed by King Hugh on 28 February 929. | of Ivrea, Adalbert I (I10387)
|
| 329 | Adam van Bronckhorst is de eerste heer van Bronckhorst die vanaf 1127/31 in bronnen voorkomt. Zijn naam wordt ook geschreven als Adam de Brunchorst. Hij is (tussen 1128 en 1131) getuige bij de schenking van graaf Gerhard II van Gelre van de kapel van Ellecom aan de Sint-Walburgiskerk te Zutphen. Adam wordt weleens beschouwd als de vader van Gijsbert I van Bronckhorst, maar deze verwantschap wordt niet door bronnen gesteund. | van Bronckhorst, Adam (I10412)
|
| 330 | Adam van Bronckhorst is de eerste heer van Bronckhorst die vanaf 1127/31 in bronnen voorkomt. Zijn naam wordt ook geschreven als Adam de Brunchorst. Hij is (tussen 1128 en 1131) getuige bij de schenking van graaf Gerhard II van Gelre van de kapel van Ellecom aan de Sint-Walburgiskerk te Zutphen. Adam wordt weleens beschouwd als de vader van Gijsbert I van Bronckhorst, maar deze verwantschap wordt niet door bronnen gesteund. | van Bronckhorst, Adam (I10412)
|
| 331 | ADELAAR-VAN ESCH (XLIV (1989), p. 80) Op het interessante antwoord op de vraag naar het voorgeslacht van Magdalena Hendriksdr. van Esch van de hand van de heer A. G. F. Smits zijn enkele aanvullingen te geven. Aert Cornelisz. de Cruyff (6) van 'dweysdijck' is afkomstig van de Dwarsdijk, een buurtschap tussen Wijk bij Duurstede en Werkhoven. Hij is de telg van een oud aldaar inheems geslacht - met zeer veel vertakkingen - waarop ik in de toekomst uitgebreider hoop te kunnen terugkomen. Op 11-11-1592 (Not. Utr. 188-9, f. 139 e.v. oude nummering) testeren Cornelis (Dircksz.) de Cruyff, wonende aan de Dwarsdijk en Swaentgen Anthonis Hermansdr. Hij heeft een zoon Aernt en drie dochters bij zijn (helaas niet met name genoemde) voorhuisvrouw en drie zonen bij Swaentgen. Aert Cornelisz. de Cruyff, schoenmaker, tr. Marichgen Jansdr. Zij verklaren schuldig te zijn op 10-5-1587 (GA Utrecht 11, 3243). De ouders van Marigen Jan Loufsdr. (7) blijken uit de volgende akte: 12-3-1595 (GA Utrecht 113243) Joost Jansz., Aert de Cruyff, getrouwd met Maria Jansdr., Peter, Jo.. . en Dirck allen kinderen van Jan Loufsz. (14) en Magdalena Jacobsdr. van Osenbrug (15), voor henzelf en vervangende Jacob Jansz., transporteren een huis hen aangekomen van hun zaliger ouders en van zaliger Margriet hun zuster. Lijsbetgen de Cruyf (c), wed. van Jacob Jansz. van der Sluys, vergezeld van Jacob de Cruyf, lintwerker, broer; Jan Splintersz., schoenmaker of herbergier en Johan Praum, cleermaker, schoonbroeders, maakt huwelijkse voorwaarden met Anthonis Dircksz. van Emmenes, burger en cleermaker te Utrecht op 20-1-1630 (Not. Utrecht 009a015). M. S. F. KEMP, Leidschendam. Gens Nostra 1989. p.269. | de Cruyf, Jaan Loufsz. (I6716)
|
| 332 | Adellijke persoon uit Frankenland in Duitsland, die zich in Maurik vestigde na uit zijn land verdreven te zijn. Hij zou beneden zijn stand zijn getrouwd terwijl zijn nakomelingen "meest huysluyden en oock sommighe treffelycke borghers ende cooplieden waren". Omtrent hem en zijn nakomelingen is verder niets bekend. RA Utrecht, Collectie handschriften nr. 378 (varia) fol. 251, en RA Gelderland, Collectie Van Rhemen, genealogie Van Hattem, fol. 175 RA Utrecht, St. Paulusabdij nrs. 505.3 fol. 39 en 457 fol. 8 NederlandscheLeeuw 1956 kol. 108 Fahne: Geschichte der westphälischen Geschlechter(1858) Familie-Archief Sloet tot Oldhuis nr. 40, 04-02-1765 De secretaris van De Balije van de Ridderlijke Duitse Orde te Utrecht verklaart dat Jor. Alexander Emanuel van Renesse van Wulp, zoon van Johan van Renessevan Wulven en Wilp en Hester van Hattem,op 18-07-1623 in de ridderschap werd geadmitteerd daar hij 4 adellijke kwartieren bezat, waaronder het riddermatige kwartier Van Hattem als eerste moederlijke kwartier. Het bestand Van Hatten is mede gebaseerd op het artikel "De afstamming van Nicolaas van Hattem, chirurgijn te Asperen" door D.F. Tollenaar, Gens Nostra okt/nov 1983, met toevoegingen Catherine R. van Hattum te Bergen NH. Bronnen: gw1.geneanet.org/index.php3?b=hoffman&lang=fr;p=hendrik;n=van+hattem geni.com/people/Hendrik-van-Hattem/6000000020933700271 genealogieonline.nl/west-europese-adel/I1073879004.php | van Hattem, Hendrik (I1532)
|
| 333 | adjudant van het regiment Nassau La Leck, Cavallerie | van Ossenbroeck, Abraham (I6490)
|
| 334 | Administratie assistente | van Osnabrugge, Catharina Gijsberta (I2643)
|
| 335 | Adolf van Kleef Heer van Büderich | van Büderich, Adolf (I1766)
|
| 336 | Adolf van Ulft, heer van Aspel (Heerlijkheid bij Rees), zoon van Johan, heer van Loackhuisen, en Elsa van Hekeren. In 1544 op den Cleefschen landdag. Adolf van Ulft met Daniël van Raide verkoopen Coepersgoed in Gutterswijk aan Hendrik van Gutterswijk 1544. Adolf van Ulft verwisselt een stuk lands met Evert van Ossenbroeck voor het gerecht van Emmerik 1551(?). Aspel is zeker door een of andere erfdochter in het geslacht van Schrieck gekomen, zooals blijkt uit de kwartieren van Engelbert van der Schrieck, heer tot Aspel, en . . . . . van der Steen. De naam van zijne vrouw is ons onbekend; zijne nakomelingen schijnen in verval geraakt te zijn. Ref: Heraldieke Bibliotheek. 5e deel. 1883. p.51 | van Ulft, Adolf (I8854)
|
| 337 | Adolf van Ulft, heer van Aspel (Heerlijkheid bij Rees), zoon van Johan, heer van Loackhuisen, en Elsa van Hekeren. In 1544 op den Cleefschen landdag. Adolf van Ulft met Daniël van Raide verkoopen Coepersgoed in Gutterswijk aan Hendrik van Gutterswijk 1544. Adolf van Ulft verwisselt een stuk lands met Evert van Ossenbroeck voor het gerecht van Emmerik 1551(?). Aspel is zeker door een of andere erfdochter in het geslacht van Schrieck gekomen, zooals blijkt uit de kwartieren van Engelbert van der Schrieck, heer tot Aspel, en . . . . . van der Steen. De naam van zijne vrouw is ons onbekend; zijne nakomelingen schijnen in verval geraakt te zijn. Ref: Heraldieke Bibliotheek. 5e deel. 1883. p.51 | van Ulft, Adolf (I8854)
|
| 338 | Adolf von Landsberg marries Cäcilia von Steinen, daughter of Wilhelm zu Odendahl and Ida von Ossenbruch. The daughter was still alive in 1555. His second wife was Anna von Stael-Holstein aus dem Hause Bernsteg oder Bierensterz bei Dhünn. | von Landsberg, Adolf (I6241)
|
| 339 | Adolph II van Suytkamen (von Südkamen) was a kanonikus in Xanten (South of Cleves) and a scholar from Zyfflich (Cranenburg, West of Cleves). Pope Clemens VII awarded him with a Kanonikat in Utrecht and Cambray (in Dutch: Kamerijk), in North-East France. He was owner of the altar at the chapel of Monterberg castle (near Kalkar, close to the Ossenbruch estate). He was the registrar and (the most important) steward (rentmeister) for Adolf III, the Count of Mark († 1394) and then his son Adolph I, Count of Cleves. In 1395 he was murdered by Willem van Diepenbroick and his gang in Cleves. Lord Rutger van den Boetzelaer had lent Diepenbroick "horse and sword". Soon after a court found Lord Boetzelaer guilty; declared him an outlaw, exiled him and awarded all his posessions to the Count of Cleves. 1379 April 30 Beschreibung: Nachdem Adolf von Südkamen, Schreiber des Grafen Adolf von Kleve, bei Wilhelm dem "Roeden van Hekeren" den Hof zur "Hoeport" eingelöst hat, gibt der Graf diesen Hof dem Südkamen unter Vorbehalt der Wiedereinlösung. Zeugen: Wilhelm ingen "Haeve", Ritter; Dietrich angen "Eynde", Drost; Joahnn "Düseler", [Hof]meister1379 "in den Lesten van den Aprille". Original: RCC, Bd.10, fol. 83 (11). Urkunde (D). AbschriftZur Vergabe des Hofes "ter Hoepoirten" gegenüber Emmerich an Wilhelm den "Rode van Hekeren" vgl. Dösseler-Oediger, Lehnregister Kleve, Nr. 367/1. Mehr in de Düffel, Hof und Zehnt; dat alinge guet toe Meer, gel. in Dufel by goede Derix die Wilden van Meer …, also dat gel. is end Henrix van Gaelen plach to wesen, ende wy gecocht hebben geg. Johan van Bellinchouen; (1385) ZUL; (1444) den hoff ind tiende to M.; s. nr. 554. 1385 Mai 1, Evert van Wisschel, hern Willems soen. 1385 Juli 17, her Willem van Reyss ridder. 1388 Mai 17, her Adolph van Suytkamen, onse rentmeister, nach Verzicht des W. van Rees. 31 Oktober 1392 Graf Adolf von Kleve-Mark befreit den Hof Ostenhof zu Südkamen ("Hoff to Sütkamen östenwert in den Dorpe gelegen", "Hoff ter Oesten"), den früher Adolf von Südkamen, der Vater seines Dieners Adolf von Südkamen, Kanoniker zu Zyfflich, bewohnte und nun Engelbert, dessen Bruder, bewohnt, von allen Verbindlichkeiten in der Freigrafschaft zu Unna. Gleichzeitig überlässt er den Hof den Brüdern Adolf und Engelbert von Südkamen, gegen Zahlung eines Erbzinses.1392 "feria quinta vigilia omnium sanctorum" Bestellsignatur : Grafschaft Mark - Urkunden, Nr. 120 Landesarchiv NRW 120; 1 Aug. 1393 Adolph, Graf von Cleve, verkauft Adolph v. Suytkamen, Kanonikus zu Seeflic, die bisher von Henric Luerkens innegehabte Hälfte der „loscheacker" im Gericht Gynderic (Genderingen). Lubbert v. Thüle, Drost, und Everd v. Wisschel, Wilhelms Sohn, Kämmerling, siegeln mit. Original Pergament. In der Stadt Cleve ist am Montag vor Gregoriustag (8. März 1395) ein Mord geschehen, dair een gemeyne geruchte aver gegaen is in den lande, dass Wilhelm van Diepenbroick mit einer Anzahl von Genossen der Thäter und Rutger van Boitzelar der Anstifter sei. Erschlagen aber ist Adolf von Suytkamen, der vielgenannte und einflussreiche Rentmeister Herzog Adolfs, damals noch Grafen von Cleve, und seines Vaters. 1395 "Dat gericht to Aldenkalkar, dat oeverste gericht in den lande Cleve" spricht, nach dreitägiger Verhandlung, Ruitger van Boitzelar schuldig der Anstiftung des Mordes an Adolf von Suytkamen, dem damaligen Rentmeister der Grafen von Kleve. Am 27. Mai 1395 verkündeten Richter und Schöffen das Urteil: Ruitger van Boitzelar wurde für vogelfrei erklärt, des Landes verwiesen und sein gesamter Besitz dem Grafen von Kleve Herzog Adolf II übereignet. Ten slotte kreeg Rutger van den Boetzelaer het aan den stok met den Graaf zelf en deze twist liep voor hem slecht af. In 1393 had Willem van Diepenbroick Adolf van Zuijdkamen, natuurlijken zoon uit het geslacht van der Marck, raad en rentmeester van den Graaf van Kleef verslagen, hierbij had Heer Rutger van den Boetzelaer ,"paard en zwaard" geleend. Graaf Adolf liet Rutger dagen voor het hoog gericht te Aldencalkar om zich te ,"purgeeren." Deze verscheen echter niet en werd bij verstek veroordeeld en,"citirt in 14 nachten als ein gefangen to Cleve (te) komen". Dit vonnis beviel den Heer Rutger niet, hij verzet zich tegen de handdadigen en rançonneert het platteland; Graaf Adolf liet nu den Boetzelaer door Adolf van Wijlich belegeren, die de veste in 1396 innam en Heer Rutger gevangen nam. Deze moest bij verdrag den Boetzelaer met het geschut, dat daarop was, den Graaf in eigendom geven en zich als een gevangene van dezen beschouwen. Deze gevangenschap duurde niet lang; reeds het volgend jaar, 1397, noemt de Graaf hem zijn vriend en goeman, bij het verdrag dat hij met zijn broeder Diderick, Graaf van der Marck, wegens de wederzijdsche krijgsgevangenen sloot. Maar duurde de gevangenschap ook kort, zijn kasteel kreeg hij niet terug, dit werd op Zondag in de vasten 1397 aan zijn zoon Wessel geschonken, maar onder uitdrukkelijke bepaling dat dit slechts uit genade van den Hertog was en daarenboven onder andere niet genoemde voorwaarden. De Navorscher. Volume 55, p.26 Der klevische Rentmeister Adolf von Sutkamen wurde 1395 wohl von Ritter Rutger van den Boetzelaer umgebracht. Damit lösten sich für Adolf II. gleich zwei Probleme auf einen Schlag. Er konfiszierte nach der Verurteilung Rutgers Haus Boetzelaer bei Kalkar. Damit war die stärkste oppositionelle Kraft innerhalb der Grafschaft entmachtet. Und Adolf war seine Schulden los: Der umgebrachte Sutkamen war nämlich der wichtigste Kreditgeber seines Vaters gewesen. Es sind Fehden und Streitzüge, die das weitere Geschehen bestimmen - und die richtigen Frauen: Der um 1495/97 verstorbene klevische Chronist Gert van der Schuren attestierte dem Grafen, dass die Heiratspolitik zu dessen größten Leistungen gezählt habe, sei ihm doch "Maria von Burgund zur Bettgenossin gegeben" worden. Manuel Hagemann, Hiram Kümper. 1417: Kleve wird Herzogtum. ISBN 978-3-936813-12-8, 4,50 "Adolf had heel wat in de melk te brokken. Was duidelijk niet onbemiddeld. Zijn naam kwam in documenten vaak voor samen met Evert van Wissel en Gerhard van Ossenbroich. De families kenden elkaar goed." Henk v.d. Velde (Aug 2017) KAISER-WILHELM-INSTITUT FUER DEUTSCHE GESCHICHTE DAS ERZBISTUM KÖLN / ARCHIDIAKONAT VON XANTEN (herausgegeben 1938) Adolf von Suyckamen 1395; 1394 Sept. 23 noch als Kanonikus, 1395 Febr. 10 als Scholaster von Zyfflich bezeichnet, erschlagen 1395 März 15 (Rs. A III Nr. 12 foI. 124 v bzw. Kleve-Mark ~ Urk. 693, 809; Ilgen, Kleve I 65). Kanonikus zu Zyfflich 1387-1395, Anwärter auf die Propstei daselbst 1382-1385 (vgI. § 40 ). Von Clemens VII. wurde er 1385 mit einem Kanonikat zu Utrecht und 1389 mit einem solchen zu Cambray providiert, die er beide nicht erhalten zu haben scheint (Sauerland, Reg. VI Nr. 1437; Vatikan, Reg. suppI. 77 foI. 14). 1381-1395 Kanonikus zu Xanten (s. dort), seit 1393 Besitzer des Altars s. Cathar. et Barbare der Schloßkapelle zu Monterberg (Hs. A III Nr. 12 foI. 96); Rentmeister der Grafschaft Kleve nachweislich seit 1383 (R. Scholten, Beiträge zur Geschichte von Wissel und Grieth [Kleve 1890] 162) bis zn seinem Tode, 1388 auch oberster Hofmeister (Kleve-Mark, Urk. 705). Graf Adolf I. von Kleve hatte seinem Schreiber A. v. S. 1383 Jan. 13 auch die Propstei zu Wissel für den Todesfall des derzeitigen Propstes übertragen, der ihn aber überlebt hat (Hs. A III Nr. 12 foI. 30v vgI. auch S. 318). | van Suytkamen, Adolf (I8874)
|
| 340 | Adolph II van Suytkamen (von Südkamen) was a kanonikus in Xanten (South of Cleves) and a scholar from Zyfflich (Cranenburg, West of Cleves). Pope Clemens VII awarded him with a Kanonikat in Utrecht and Cambray (in Dutch: Kamerijk), in North-East France. He was owner of the altar at the chapel of Monterberg castle (near Kalkar, close to the Ossenbruch estate). He was the registrar and (the most important) steward (rentmeister) for Adolf III, the Count of Mark († 1394) and then his son Adolph I, Count of Cleves. In 1395 he was murdered by Willem van Diepenbroick and his gang in Cleves. Lord Rutger van den Boetzelaer had lent Diepenbroick "horse and sword". Soon after a court found Lord Boetzelaer guilty; declared him an outlaw, exiled him and awarded all his posessions to the Count of Cleves. 1379 April 30 Beschreibung: Nachdem Adolf von Südkamen, Schreiber des Grafen Adolf von Kleve, bei Wilhelm dem "Roeden van Hekeren" den Hof zur "Hoeport" eingelöst hat, gibt der Graf diesen Hof dem Südkamen unter Vorbehalt der Wiedereinlösung. Zeugen: Wilhelm ingen "Haeve", Ritter; Dietrich angen "Eynde", Drost; Joahnn "Düseler", [Hof]meister1379 "in den Lesten van den Aprille". Original: RCC, Bd.10, fol. 83 (11). Urkunde (D). AbschriftZur Vergabe des Hofes "ter Hoepoirten" gegenüber Emmerich an Wilhelm den "Rode van Hekeren" vgl. Dösseler-Oediger, Lehnregister Kleve, Nr. 367/1. Mehr in de Düffel, Hof und Zehnt; dat alinge guet toe Meer, gel. in Dufel by goede Derix die Wilden van Meer …, also dat gel. is end Henrix van Gaelen plach to wesen, ende wy gecocht hebben geg. Johan van Bellinchouen; (1385) ZUL; (1444) den hoff ind tiende to M.; s. nr. 554. 1385 Mai 1, Evert van Wisschel, hern Willems soen. 1385 Juli 17, her Willem van Reyss ridder. 1388 Mai 17, her Adolph van Suytkamen, onse rentmeister, nach Verzicht des W. van Rees. 31 Oktober 1392 Graf Adolf von Kleve-Mark befreit den Hof Ostenhof zu Südkamen ("Hoff to Sütkamen östenwert in den Dorpe gelegen", "Hoff ter Oesten"), den früher Adolf von Südkamen, der Vater seines Dieners Adolf von Südkamen, Kanoniker zu Zyfflich, bewohnte und nun Engelbert, dessen Bruder, bewohnt, von allen Verbindlichkeiten in der Freigrafschaft zu Unna. Gleichzeitig überlässt er den Hof den Brüdern Adolf und Engelbert von Südkamen, gegen Zahlung eines Erbzinses.1392 "feria quinta vigilia omnium sanctorum" Bestellsignatur : Grafschaft Mark - Urkunden, Nr. 120 Landesarchiv NRW 120; 1 Aug. 1393 Adolph, Graf von Cleve, verkauft Adolph v. Suytkamen, Kanonikus zu Seeflic, die bisher von Henric Luerkens innegehabte Hälfte der „loscheacker" im Gericht Gynderic (Genderingen). Lubbert v. Thüle, Drost, und Everd v. Wisschel, Wilhelms Sohn, Kämmerling, siegeln mit. Original Pergament. In der Stadt Cleve ist am Montag vor Gregoriustag (8. März 1395) ein Mord geschehen, dair een gemeyne geruchte aver gegaen is in den lande, dass Wilhelm van Diepenbroick mit einer Anzahl von Genossen der Thäter und Rutger van Boitzelar der Anstifter sei. Erschlagen aber ist Adolf von Suytkamen, der vielgenannte und einflussreiche Rentmeister Herzog Adolfs, damals noch Grafen von Cleve, und seines Vaters. 1395 "Dat gericht to Aldenkalkar, dat oeverste gericht in den lande Cleve" spricht, nach dreitägiger Verhandlung, Ruitger van Boitzelar schuldig der Anstiftung des Mordes an Adolf von Suytkamen, dem damaligen Rentmeister der Grafen von Kleve. Am 27. Mai 1395 verkündeten Richter und Schöffen das Urteil: Ruitger van Boitzelar wurde für vogelfrei erklärt, des Landes verwiesen und sein gesamter Besitz dem Grafen von Kleve Herzog Adolf II übereignet. Ten slotte kreeg Rutger van den Boetzelaer het aan den stok met den Graaf zelf en deze twist liep voor hem slecht af. In 1393 had Willem van Diepenbroick Adolf van Zuijdkamen, natuurlijken zoon uit het geslacht van der Marck, raad en rentmeester van den Graaf van Kleef verslagen, hierbij had Heer Rutger van den Boetzelaer ,"paard en zwaard" geleend. Graaf Adolf liet Rutger dagen voor het hoog gericht te Aldencalkar om zich te ,"purgeeren." Deze verscheen echter niet en werd bij verstek veroordeeld en,"citirt in 14 nachten als ein gefangen to Cleve (te) komen". Dit vonnis beviel den Heer Rutger niet, hij verzet zich tegen de handdadigen en rançonneert het platteland; Graaf Adolf liet nu den Boetzelaer door Adolf van Wijlich belegeren, die de veste in 1396 innam en Heer Rutger gevangen nam. Deze moest bij verdrag den Boetzelaer met het geschut, dat daarop was, den Graaf in eigendom geven en zich als een gevangene van dezen beschouwen. Deze gevangenschap duurde niet lang; reeds het volgend jaar, 1397, noemt de Graaf hem zijn vriend en goeman, bij het verdrag dat hij met zijn broeder Diderick, Graaf van der Marck, wegens de wederzijdsche krijgsgevangenen sloot. Maar duurde de gevangenschap ook kort, zijn kasteel kreeg hij niet terug, dit werd op Zondag in de vasten 1397 aan zijn zoon Wessel geschonken, maar onder uitdrukkelijke bepaling dat dit slechts uit genade van den Hertog was en daarenboven onder andere niet genoemde voorwaarden. De Navorscher. Volume 55, p.26 Der klevische Rentmeister Adolf von Sutkamen wurde 1395 wohl von Ritter Rutger van den Boetzelaer umgebracht. Damit lösten sich für Adolf II. gleich zwei Probleme auf einen Schlag. Er konfiszierte nach der Verurteilung Rutgers Haus Boetzelaer bei Kalkar. Damit war die stärkste oppositionelle Kraft innerhalb der Grafschaft entmachtet. Und Adolf war seine Schulden los: Der umgebrachte Sutkamen war nämlich der wichtigste Kreditgeber seines Vaters gewesen. Es sind Fehden und Streitzüge, die das weitere Geschehen bestimmen - und die richtigen Frauen: Der um 1495/97 verstorbene klevische Chronist Gert van der Schuren attestierte dem Grafen, dass die Heiratspolitik zu dessen größten Leistungen gezählt habe, sei ihm doch "Maria von Burgund zur Bettgenossin gegeben" worden. Manuel Hagemann, Hiram Kümper. 1417: Kleve wird Herzogtum. ISBN 978-3-936813-12-8, 4,50 "Adolf had heel wat in de melk te brokken. Was duidelijk niet onbemiddeld. Zijn naam kwam in documenten vaak voor samen met Evert van Wissel en Gerhard van Ossenbroich. De families kenden elkaar goed." Henk v.d. Velde (Aug 2017) KAISER-WILHELM-INSTITUT FUER DEUTSCHE GESCHICHTE DAS ERZBISTUM KÖLN / ARCHIDIAKONAT VON XANTEN (herausgegeben 1938) Adolf von Suyckamen 1395; 1394 Sept. 23 noch als Kanonikus, 1395 Febr. 10 als Scholaster von Zyfflich bezeichnet, erschlagen 1395 März 15 (Rs. A III Nr. 12 foI. 124 v bzw. Kleve-Mark ~ Urk. 693, 809; Ilgen, Kleve I 65). Kanonikus zu Zyfflich 1387-1395, Anwärter auf die Propstei daselbst 1382-1385 (vgI. § 40 ). Von Clemens VII. wurde er 1385 mit einem Kanonikat zu Utrecht und 1389 mit einem solchen zu Cambray providiert, die er beide nicht erhalten zu haben scheint (Sauerland, Reg. VI Nr. 1437; Vatikan, Reg. suppI. 77 foI. 14). 1381-1395 Kanonikus zu Xanten (s. dort), seit 1393 Besitzer des Altars s. Cathar. et Barbare der Schloßkapelle zu Monterberg (Hs. A III Nr. 12 foI. 96); Rentmeister der Grafschaft Kleve nachweislich seit 1383 (R. Scholten, Beiträge zur Geschichte von Wissel und Grieth [Kleve 1890] 162) bis zn seinem Tode, 1388 auch oberster Hofmeister (Kleve-Mark, Urk. 705). Graf Adolf I. von Kleve hatte seinem Schreiber A. v. S. 1383 Jan. 13 auch die Propstei zu Wissel für den Todesfall des derzeitigen Propstes übertragen, der ihn aber überlebt hat (Hs. A III Nr. 12 foI. 30v vgI. auch S. 318). | van Suytkamen, Adolf (I8874)
|
| 341 | Adolph von Wylich (*1515, +1591) Erbe zu Diefordt, klevischer Erbhofmeister, Drost zu Ringenberg | van Wylich, Adolf IV (I1703)
|
| 342 | Adriaan. Schepen van Charlois en Landbouwer. Geboren rond 1640, overleden na 1712. Schepen van Charlois en Landbouwer. Hij woont te Charlois aan de Goudse Rijweg na 1705. Zoon van Cornelis Verduijn en Grietgen Arijs Sparreboom. Hij was gehuwd met Yeffjen Leendertsdr Klaren. Geboren rond 1654 in Land van Stein. Zij is overleden op 25 februari 1702 te Charlois. Dochter van Leendert Jansz Klaren en Beligje Willemsdr Rietveld. Kinderen van Yeffjen en Adryaen: Cornelis Arijensz Verduijn 1675-1742 Leendert Arijensz Verduijn 1677 \endash …. Margarithe Arijensdr Verduijn 1681 \endash …. Johannes Arijensz Verduijn 1683 \endash < 1688 Wouter Arijensz Verduijn 1685 \endash …. Johannes Arijensz Verduijn 1688 \endash 1708 Adryaen huwde 2e te Rotterdam op 3 november 1705 met Gijsbertje Gijsberts Casemier, weduwe van Dirk Ouderbergh. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen bekend. | Verduijn, Arijen (I9684)
|
| 343 | Adriaan. Schepen van Charlois en Landbouwer. Geboren rond 1640, overleden na 1712. Schepen van Charlois en Landbouwer. Hij woont te Charlois aan de Goudse Rijweg na 1705. Zoon van Cornelis Verduijn en Grietgen Arijs Sparreboom. Hij was gehuwd met Yeffjen Leendertsdr Klaren. Geboren rond 1654 in Land van Stein. Zij is overleden op 25 februari 1702 te Charlois. Dochter van Leendert Jansz Klaren en Beligje Willemsdr Rietveld. Kinderen van Yeffjen en Adryaen: Cornelis Arijensz Verduijn 1675-1742 Leendert Arijensz Verduijn 1677 \endash …. Margarithe Arijensdr Verduijn 1681 \endash …. Johannes Arijensz Verduijn 1683 \endash < 1688 Wouter Arijensz Verduijn 1685 \endash …. Johannes Arijensz Verduijn 1688 \endash 1708 Adryaen huwde 2e te Rotterdam op 3 november 1705 met Gijsbertje Gijsberts Casemier, weduwe van Dirk Ouderbergh. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen bekend. | Verduijn, Arijen (I9684)
|
| 344 | Adriaan. Parents unknown at time of death, his age was given as 67 | Grootenboer, Adrianus (I5869)
|
| 345 | Adriaantje | Wiegel, Adriaantje (I5316)
|
| 346 | Adriaen? | van Bueren, Adam (I730)
|
| 347 | Adrian (Arijen) VONCK van LIENDEN, overleden ca 1575, beleend 25-05-1566 met de Sandakker te Maurik L.A. 343/345; L.A. Gelre; Gens Nostra 1981 pag. 392; Bank van Kesteren Osenvoren 43a protocol 28 (fol. 7v) dd. 04-11-1614; Nav. LIX blz. 82,83, zoon van Dirck VONCK van LIENDEN en Johanna Pelgromsdochter de KEMMP. Gehuwd voor de kerk (1) circa 1530 met Johanna Hermansdr. van LEEUWEN, sluit accoord over de Sandacker te Maurik samen met haar schoonzoon beleend met de Sandacker te Maurik 03-05-1578, doet afstand 04-07-1580: L.A. Gelre;Gens Nostra 1981, blz. 392, dochter van Herman de jonge van LEEUWEN en Margriet Oliviersdr. WTTENWEERDE. Gehuwd (2) met Margriet van ECK van PANTHALEON, 20 november 1579,beleend met een blok den Oesterinck(oosterengh) op Klinkenborgh te Ingen (Nav. XLVI blz 540).Leenakten Gelre,kwartier van Nijmegen, Ingen, pag 368, dochter van Johan van ECK van PANTHALEON en Margriet BILERSDR. Uit het tweede huwelijk: 1. Pelgrom VONCK van LIENDEN 2. NN VONCK van LIENDEN, beleend met de Sandakker te Maurik, 1575 ; L.A. Gelre. 3. Johan VONCK van LIENDEN 4. Margriet Adriaens VONCK van LIENDEN, overleden 1594-1600, beleend met de Sandakker te maurik 1580; L.A. Gelre; Nederlandse Leeuw 1969. Gehuwd voor de kerk voor 1600 met Sweder WTTENWEERDE, schout van Eck en Maurik 1580 - 1626, schout van Eck en Maurik 1580 - 1626 zie N.L. 1969 pag. 32 e.v. ; peijnder 1572; rentmeester van de Nederbetuwe 1585 - 1597; beleend met de Sandakker onder Maurik 03-05-1578 ( L.A. 343/345); beleend met land te Amerongen 05-10-1592; test. 21-07-1612; Nederlandse Leeuw 1969; L.A. Gelre; Gens Nostra 1981 blz. 24; Gen. Bladen Arnhem pag. 98 Maurik dd. 09-01-1599;, zoon van Olifier WTENWEERDE. | Vonck van Lienden, Adrian (Arijen) (I6505)
|
| 348 | Adriana, wed. van Arnoldus van Ossenbergh, en Willem de Avise, j.m. beiden won. Wijck, aanget. 21-11-1690, tr. 7-12-1690 te Wijk | de Avise, Willem (I8739)
|
| 349 | Adriana, wed. van Arnoldus van Ossenbergh, en Willem de Avise, j.m. beiden won. Wijck, aanget. 21-11-1690, tr. 7-12-1690 te Wijk | de Avise, Willem (I8739)
|
| 350 | Adrianus Gijsbertus van Osnabrugge, geb. Harmelen 5.3.1907, aannemer-metselaar, overleden aldaar. 22.12.1951, trouwde in Broek op Langendijk 18.7.1935 Maartje Visser, geb. aldaar op 7.8.1910, dochter van Willem Visser en Trijntje Mazereeuw. In oorlogstijd verzetsleider K.P. Bouwde Ope Dei ziekenhuis in Woerden, samen met zijn broer Jan. Contractor in Harmelen. Built Ope Dei hospital in Woerden. Resistance Organisor in WWII, Deacon Reformed Church. Look below for his parental home and the one he built for his yound wife. https://vanosnabrugge.org/parental.htm | van Osnabrugge, Adrianus Gijsbertus (I76)
|